Interviewfragmenten

Mr. Probz:
“Er was een opstootje. Nog voordat ik iets kon doen, ik had mijn handen nog in mijn zakken, had ik al een kogel door mijn lijf. Ik zag mensen zich verzamelen zonder me te hulp te komen en dacht: shit, dit is hoe ik ga, met een stel toekijkende ramptoeristen om me heen. Toen ik later in het AMC de operatiezaal binnen werd gereden, was ik nog bij bewustzijn. Ik hoorde de mensen daar grapjes maken en lachen met elkaar. Je kunt je niet eenzamer voelen dan wanneer jij daar met pijn ligt en het gevoel hebt dat je dood gaat, terwijl anderen lachen. Wat er ook met jou gebeurt, voor anderen gaat het leven gewoon door. Die ervaring heeft mijn mindset wel veranderd.”

Prinses Irene:
“Vroeger was ik bang voor van alles. Twijfelde ik er sterk aan om aan de verwachtingen van anderen te kunnen voldoen. Van dat soort angsten heb ik me leren losmaken. Ik ervaar het niet langer als gezichtsverlies als ik iets niet weet. Het werkt bevrijdend wanneer je jezelf toestaat om voor je onzekerheden uit te komen. Dat heeft alles te maken met zelfacceptatie. Iets dat in onze maatschappij helemaal niet zo simpel is, omdat we opgroeien met het idee dat we van alles moeten doen of kunnen om gewaardeerd te worden. Wanneer je leert tevreden te zijn met wie je bent, hoef je jezelf niet meer zo krampachtig in allerlei bochten te wringen in de hunkering naar erkenning. Wat dat betreft geloof ik dat zelfwaardering het grootste cadeau is dat je als mens aan deze wereld kunt geven.”

Sander van de Pavert (Lucky Tv):
“De manier waarop ik me laat meeslepen door mijn impulsen heeft iets dwangmatigs. Dan koop ik in een opwelling weer allerlei rotzooi waar ik nooit iets mee doe. Ook in mijn werk speelt dat ongedurige me parten. Ik begin aan veel, maar maak weinig af. Het is niet alleen de buitenwereld die me afleidt. Ook in een donkere kamer heb ik er moeite mee mijn gedachten te ordenen. Dan spreek ik mezelf toe: doe nou eens rustig. Niet dat het helpt, want aan het eind van de dag lig ik vaak te trillen in bed. ”

Ruud Gullit:
“In Italië vinden ze het fantastisch als je met hard werken iets hebt bereikt. Daar kunnen ze zich echt bewonderend uitlaten over een mooi horloge dat je om hebt. In Nederland schilderen ze je af als een patser. Alsof je je er voor zou moeten schamen dat je goed in je slappe was zit. Ik vind dat hypocriet. Wanneer mensen zeggen dat ze absoluut niet om luxe en geld geven, is dat hun goed recht. Maar diezelfde personen ergeren zich meestal wel aan de rijkdom van een ander. Dat klopt dus niet. Als je er zelf niet om geeft, zie ik niet in waarom je het dan een ander die er wel waarde aan hecht moet misgunnen. De enige verklaring die ik daarvoor kan bedenken is jaloezie.”

Advocaat Jan-Hein Kuijpers:
“Ik weet niet of je het mijn zesde zintuig moet noemen, maar ik heb al diverse keren iets meegemaakt dat best eng is. Dan kwam ik een vage kennis of een verre vriend tegen en dan schoot ineens de gedachte door me heen: die leeft niet lang meer. Prompt hoorde ik dan een paar maanden later dat die persoon inderdaad was overleden. En nee, dat had dan niets met cliënten van mij te maken!”

Tuinspecialist Rob Verlinden:
“Een tuin met bloemen en bloeiende planten biedt ons precies waar wij van houden: het is één en al erotiek. Die planten pronken in volle glorie met hun geslachtsdeel en staan op hun mooist te stralen om insecten te lokken. Letterlijk voor hun voortplanting. Het is een vorm van visuele communicatie die op onze gemoedstoestand een weldadige uitwerking heeft. Een bloemloze tuin is een emotieloze tuin, waardoor je ziet dat alles wat gewoon is aan betekenis verliest. Op een bloem die de hele zomer bloeit, raken we uitgekeken. De bloem die het kortst bloeit, boeit ons het meest. That’s life.”

Sven Kramer:
“Als topsporter probeer je voortdurend je pijngrens te verleggen. Ik schaats het hardst als ik tijdens een race diep blijf zitten. Voor je rug is dat niet de ideale houding. Tijdens een langere afstand vecht je niet alleen tegen je tegenstander maar ook tegen helse pijn. Nee, in die zin is topsport niet gezond. Mijn rug heeft al zoveel slijtage ondergaan dat het niet meer de rug is van een jongen van mijn leeftijd. Topsport is voortdurend balanceren rond de vraag: wat kan nog wel en wat kan niet? Ik vind het een kick om die grens op te zoeken en tot het uiterste te gaan.”

Acteur Raymond Thiry:
“Nadat mijn moeder overleed, had ik als kind geen zin meer om mee te doen aan de spelletjes op het schoolplein. Met mijn rug tegen de schutting werd ik van deelnemer, toeschouwer. Gaandeweg heb ik geleerd alles wat ik in mijn gevoelsleven als onaangenaam of hinderlijk ervaar te blokkeren. Daar zet ik gewoon de handrem op. In mijn puberteit heb ik hulp gezocht bij een therapeut. In een case study heeft hij me beschreven als iemand die schreeuwde om liefde en aandacht, maar tegelijkertijd alles deed om zijn autonomie te bewaken. Wel een rake typering, denk ik.”

Acteur Leopold Witte:
“Alle stoppen sloegen door toen mijn vorige vriendin me in de steek liet. Op het moment waarop ik met een jetlag en wat te veel drank op thuiskwam, vertelde ze me dat het over was tussen ons. Daardoor raakte ik zo buiten zinnen van woede dat ik onze hele inboedel door het raam naar buiten heb geflikkerd. Eenmaal uitgeraasd heb ik zelf de glashandel en de politie gebeld. En de psychiater, want dat ik hulp nodig had, was duidelijk.”

Mark Tuitert:
“Het boterde al langere tijd niet tussen mijn ouders. Als oudste zoon dacht ik de vete tussen hen wel te kunnen helpen oplossen. Dat bleek een misvatting. Het werd een puinhoop, want ze bleven lijnrecht tegenover elkaar staan. Omdat mijn moeder meer in een afhankelijkheidspositie zat dan mijn vader koos ik partij voor haar. Met de wijsheid van achteraf zeg ik nu dat ik me niet in hun vaarwater had moeten begeven. Het was niet míjn, maar hún verantwoordelijkheid er samen uit te komen.”

Acteur Peter Faber:
“Eigenlijk heb ik ’s morgens nooit zin om mijn bed uit te komen. Ik sta toch op omdat ik inmiddels uit ervaring weet dat Shakespeare gelijk had toen hij – in Hamlet – zei: The readyness is all. Oftewel alles valt of staat met je bereidheid om je ergens voor in te zetten. Als je aan het acteren bent, kun je niet gelijktijdig denken aan geldzorgen, liefdesverdriet, gezondheidskwalen of wat er dan ook in je leven speelt. Je moet je volledig concentreren op je spel. Zodra je dat doet, treedt er een soort natuurwet in werking waardoor je je lekkerder gaat voelen. Het is mijn ervaring dat alles wat je met aandacht doet helend werkt.”

Arjan Ederveen:
“Mijn vader was niet iemand die over zijn gevoelens sprak. Des te pijnlijker was het moment waarop ik met hem door de regen liep en hij in huilen uitbarstte. Dat was nadat mijn oudste broer aan aids was overleden. Radeloos snikte hij dat hij niet meer wist hoe het verder moest. Hartverscheurend. Te meer omdat ik daar ook geen antwoord op had. Zelf wist ik ook niet hoe ik met dat verlies om moest gaan. Toen vier jaar later ook mijn middelste broer aan een bloedziekte stierf, had mijn vader al de ziekte van Alzheimer.”

Berget Lewis:
“Kort voor mijn broer stierf, zei hij dat hij mijn oma zag die hem kwam ophalen. Velen doen zulke waarnemingen af als hallucinaties, maar voor mij was het een troostrijke mededeling. Ik ben geboren met een gesloten fontanel. Als gevolg daarvan ben ik als kind vaak aan mijn hoofd geopereerd. Ik herinner me dat ik bij een van die operaties boven de operatietafel zweefde en naar een tunnel van licht getrokken werd. Ik was er bijna toen ik een stem hoorde die me terug stuurde omdat het mijn tijd nog niet was. Toen ik uit de narcose ontwaakte, vertelde ik mijn moeder dat ik de chirurg aan mijn hoofd had zien werken en dat hij ‘oeps’ zei, omdat hij iets had aangeraakt wat niet de bedoeling was.”

Maarten Heijmans:
“Melancholie speelt bij mij soms een uur, soms dagenlang. Als dat laatste het geval is, weet ik dat ik mezelf in beweging moet zetten. Contact met de buitenwereld voorkomt dat ik in een depressie beland. Ook reizen helpt. Zo heb ik een motortocht van vier weken door Mongolië gemaakt. Mijn vrienden verklaarden me voor gek. Ze waren bang dat ik dood gevonden zou worden in de woestijn. Het was top, al heb ik me ook eenzaam gevoeld. Toen ik daar in het pikdonker mijn tent op moest zetten met alleen het lichtje van mijn Iphone dacht ik: wat ben ik hier nou stoer aan het doen in mijn eentje!”

Ryan van den Akker:
“De top is waar we allemaal naar hunkeren en naartoe werken. Maar eigenlijk zijn de hoogtepunten in je leven het minst interessant. Er schuilt iets verraderlijks in louter gelukzaligheid. Hoe begerenswaardig het ook lijkt, het is de verboden appel die ons lonkt. Extase is verrukkelijk, maar het maakt je passief. Je wilt er als het ware in blijven. Terwijl leven leren is. Je ontwikkelt je niet verder wanneer je alles hebt wat je hartje begeert.”

Antropologe Sarah Blaffer Hrdy, auteur van de dikke pil ‘Moederschap’:
“Met mijn zoon had ik amper problemen, maar mijn twee dochters hebben zich fel tegen me afgezet. Zelf heb ik met mijn moeder nooit zo in de clinch gelegen als mijn dochters met mij. Waarschijnlijk omdat mijn oudere zussen voor mij al de nodige vrijheid hadden bevochten. Waarom moeders en dochters in de puberteit zo heftig met elkaar botsen is een van de thema’s die ik nog nader wil onderzoeken.”

Angela Schijf:
“Jaren geleden heb ik regressietherapie gedaan. Ik geloof dan ook heilig in reïncarnatie. In een – aan hypnose grenzende – toestand van opperste concentratie heb ik mezelf terug gezien in vijf verschillende levens. De details houd ik graag voor mezelf, maar het was een heel drastische ervaring. Eerder verrijkend dan eng. Mijn therapeute was een heel nuchtere vrouw. Alles behalve een zweverig type.”

Choreograaf Stanley Burleson:
”Vroeger op school werd ik gepest. Ik werd uitgemaakt voor mietje, omdat ik anders was dan de rest. Ik slaagde erin mezelf zo te pantseren dat rot opmerkingen me steeds minder raakten. Achter dat veilige muurtje werd ik voor anderen steeds minder toegankelijk. Ik geloof echter dat het leven is voorbestemd en dat het geen toeval is dat ik in dit vak belandde. Want juist dit werk betekende voor mij een enorme ommekeer. Niet alleen moest ik mezelf emotioneel openbreken om geloofwaardig gevoelens te kunnen vertolken, maar ik kwam ook tot het inzicht dat ik helemaal niet hoefde te zijn als iedereen. Als artiest is ‘anders zijn’ juist je kracht. “

Youp van ’t Hek:
“Na afloop van een voorstelling zijn er altijd wel aardige mensen die nog even met me willen napraten. Dan ging het altijd van retteketet met de drank. Ik rijd nooit zelf terug, maar vaak had ik al drie of vier witte wijn op voor ik in de auto zat en dan nam ik als ik thuis was ook nog een paar wijntjes. Tot ik dus besloot daar mee op te houden. Tenzij het de laatste avond is, maar anders drink ik in het theater gewoon spa. Daar voel ik me veel beter bij. Het nevenverschijnsel van drank is ook dat je kritisch vermogen erdoor afstompt. Mensen stonden vaak zo onbedaarlijk op mijn schouders te kloppen dat ik er bijna zelf in ging geloven dat ik zo goed was.”

Don Diablo:
“Op mijn veertiende had ik mijn eerste boeking als dj. Ik belandde in een louche club van een drugshandelaar. Ik kreeg er een wapen tegen mijn hoofd. Toen ik zonder betaald te hebben gekregen naar buiten ging, zei ik: Het was gezellig in ieder geval! Die humoristisch bedoelde opmerking viel niet in goeie aarde. Een viertal uitsmijters vlogen me aan en begonnen met zijn allen op me in te trappen. Tegenwoordig verdien ik goed. Dus toen een goeie vriend van mij geld nodig had, heb ik hem een groot bedrag geleend. Dat bleek niet bevorderlijk voor de vriendschap. Hij schaamde zich, zei ie. Met als gevolg dat ik hem en mijn geld nooit meer heb terug gezien.”

Henk Poort:
“Onderhuids had ik altijd het vermoeden dat ik als kind niet echt gewenst was. Mijn broer is acht en mijn zus is zes jaar ouder dan ik. Daarna waren er abortussen en toen kwam ik. Mijn moeder heeft ook een keer gezegd: ‘En dan te bedenken dat ik je ooit niet wilde hebben!’ Eigenlijk was die opmerking alleen maar lief bedoeld, maar die woorden bevestigden wat ik diep van binnen al wist: dat ik een van die zwangerschappen was waarvan ze dacht: oh, niet weer! Ik ben er dan ook van overtuigd dat een kind al in de baarmoeder voelt of ie welkom is of niet. De onzekerheid waarmee ik lang heb geworsteld, schrijf ik daar voor een deel aan toe.”

Rick Engelkes:
“Doorgaans ben ik vrij rustig, maar tijdens een slopende ruzie ben ik weleens zo woedend geworden dat ik uit pure frustratie een tv stuk smeet. Een andere keer was ik zo getergd dat ik met mijn vuisten dwars door een deur heen sloeg. Vanwege de paniek was de ruzie meteen over, maar ik moest wel per ambulance naar het ziekenhuis.”

Ans Markus:
“Mijn ouders vingen wel signalen op dat mijn huwelijk niet zo lekker liep, maar de details kenden ze niet. Nooit vergeet ik dat ze een keer onverwacht voor de deur stonden. Ik schrok, want tot op dat moment had ik voor hen verborgen gehouden dat het er binnen mijn huwelijk hardhandig aan toe ging. Toen ze binnenkwamen, zagen ze aan mijn gescheurde nachtjapon en de kapot getrapte pedaalemmer wat er speelde. Ze waren geschokt, maar hadden net als ik nog hoop dat het wel goed zou komen.”

Marte Röling:
“Mijn moeder is op dezelfde dag als Napoleon geboren en had ook wel iets van een heerser in zich. Al was ze ook erg lief. Na de dood van Henk ben ik veel portretten van hem gaan schilderen. Op een gegeven moment vroeg mijn moeder wat ik aan het schilderen was. Toen ik antwoordde dat ik met een portret van Henk bezig was, zei ze: ‘Oh, doe je dat nog stééds?’ Waarop ik kattig reageerde: Ja, dat doe ik nog steeds en daar hou ik voorlopig niet mee op ook!”

Johanna Mulder, vrouw van Jan Mulder:
“Jan heeft een keer vijf jaar en een keer tien jaar een vriendin gehad. In eerste instantie wist ik het niet. Het moment dat ik daarachter kwam, dacht ik dat de grond onder me wegzakte. Dat Jan het me niet had verteld, begrijp ik wel. Wat niet weet, wat niet deert. Maar ja, als je er dan achter komt, heb je wel het rotgevoel dat de hele wereld op de hoogte was behalve jij. Voor hem was het vooral de spanning waar hij van genoot. Maar soms was het ook voor hem een gedoe hoor. Het zorgt toch voor complicaties.”

Marisa Quanjer, vrouw van voormalig minister Donner:
“Mijn vader zei vroeger: ‘Jij bent zo kritisch, jij krijgt nooit een man!’ Maar op mijn twintigste kwam ik Piet Hein tegen in de studentensociëteit. Terwijl hij in een afschuwelijk jasje druk stond te oreren , dacht ik: Wat een curieus geval. En dat is hij. Een scherpzinnig mens, heel onafhankelijk van geest. Daar hou ik van. Dat ik hoge cijfers voor mijn tentamens pedagogie haalde, heb ik mede aan hem te danken. Hij stelde me tijdens het overhoren zulke ingewikkelde vragen dat ik daarna op alles was voorbereid.”

Carly Wijs:
“Als mensen willen weten waarom ik een alleenstaande moeder ben, kan ik me nooit aan de indruk onttrekken dat in de vraag een verwijt verborgen ligt. Het is gewoon zo gelopen en het is goed. Vroeger dacht ik nog weleens: ik ben mislukt, ik heb het ideale plaatje van vader, moeder, kind niet waar kunnen maken. In Godfrieds crècheperiode was ik misschien de enige alleenstaande moeder, maar op de kleuterschool kreeg ik gezelschap en nu hij op de basisschool zit, is bijna de helft van de ouders uit elkaar. Vaak ook nog op een manier waar de honden geen brood van lusten. Wat heb ik dan een geluk gehad dat zoiets mij bespaard is gebleven!”